Als we ‘s
morgens opstaan en door het raam kijken zien we alleen grijze mist. Door het
kipraam voelen we dat het ook ijskoud is (we zijn dat inmiddels niet meer
gewend). Dat is eens iets anders. We pakken in en nemen een ontbijt in de gezellige
bar van de albergue. Sommigen zijn al weg, andere wandelaars nemen ook hun
tijd. Onze fietsen sliepen in de stal bij het stro. Johan gaat ze halen. Het is
gezellig vertoeven en naar buiten kijken, soms zien we een stukje berg soms
niet. De wolken spelen en draaien rond. We trekken alles aan wat we bijhebben,
onze trui met lange mouwen en windstop
bodywarmer en ook onze fluovestjes, de kinderen krijgen hun regenjasjes
over hun truien en ook fluovest. De lichten van de fietsen gaan aan en we
beginnen aan 14km afdaling. We rijden rustig en proberen aankomende auto’s op het
gehoor te detecteren met wisselend succes. Het is barkoud, onze handen zijn
verkleumd, de kinderen mopperen niet maar zijn stil. We horen alleen onze
banden. Zo gaat het een behoorlijk aantal km bergaf en dan zijn we plots de
wolken uit en zien we het berglandschap met haarspeldbochten onder ons liggen,
bezaaid met zonnige vlekken. Waw, we staan direct stil om even te genieten en
een foto te nemen. Tot Triacastela daalt het en dan bergop. Met ijskoude benen,
nog geen meter getrapt en met twee dagen cols in de knieen, geen wonder dat
mijn linker knieschijf wat kraakt in de bergop. Welkom Galicië; mooie taal, ook
in enkele van de liederen gisteren. Onze ochtendstempel halen we in het
Klooster van Samos, erg mooi, met winkel en geleide bezoeken waarvoor we
passen. De kinderen draven de trappen op en af aan de majestueuze ingang. Het
was nog eens een echt paterke en de kinderen mochten de stempels zetten tot
groot jolijt. De grotere stad Sarria is niet bijzonder, we kopen eens churros
bij de bakker, een pizzabaguette met tonijn voor de papa. Net voor we de stad
buitenrijden zien we enkele vervallen bankjes op een vuil weggetje. Net goed
genoeg voor picnic. Het is uitkijken voor hondedrollen als we het picnicdeken
opengooien. We zijn er snel weer weg. Het gaat weer op en af tot Portomarin,
een stad aan een prachtig stuwmeer. We genieten van het zicht als we de lange
bruggen overrijden. De stad ligt in de hoogte, in het klimmen zien we een
publiek openluchtzwembad maar eerst slaapplaats zoeken. De eerste Albergue is
volzet, ze bellen naar een andere, negatief en op mijn vraag bellen ze ook naar
de camping, daar is nog plaats. De camping ligt echter nog twee kilometer van
de stad naar het meer toe en de weg begint met een akelige afdaling (we denken
onmiddellijk aan de klim om de volgende ochtend dan mee te beginnen). Als we
aankomen bij de camping rural van miniformaat en ons houten huisje met twee
kamers van vier alberguestijl bezetten zijn we wel blij, veel ruimte op een
leeg campingterrein voor de kinderen en we hebben eigen sanitair. Enkel twee
Duitse fietsende pelgrims, een mobilhome en een geel busje delen het grote
grasveld vol fruitbomen. Een zwembad is er niet en we denken er niet aan weer
naar het stad te klimmen voor het publieke. De kinderen spelen dan maar op het
terras van het etablissement en sinds lang blijven we twee uur luieren op
terras met een fris pintje terwijl de kinderen nieuwe spelletjes uitvinden. We
gebruiken de wifi om de laatste twee haltes op zoek te gaan naar accommodatie,
we zijn immers nog maar 101km van onze eindbestemming verwijderd. We prikken
iets in Arzua halfweg en een dubbel zo dure herberg in Santiago. Maar dat is
niet verwonderlijk, de prijzen gaan daar nu eenmaal de hoogte in. Omdat er geen
winkel is noch kookgelegenheid zijn we aangewezen op het menu van het
restaurant. Dat valt goed mee, koffie en een kruidenlikeurtje inclusief en
eerlijke prijs. De patron komt elke gang vragen of alles naar wens is. We
slapen onder dekbedjes, het is er muisstil. Het stuwmeer ligt net te ver om te
gaan wandelen, de huifkartochten laten we maar zo en de quad- en buggyverhuur ook.
Met gemengde gevoelens proberen we ons op de laatste dagen te concentreren.